De Europese erfrechtverordening en de Europese verklaring van erfrecht

De Europese erfrechtverordening en de Europese verklaring van erfrecht

In ons eerste artikel, in nummer 6, hebben we uitvoerig gesproken over de erfrechtverordening en het belang van het maken van een rechtskeuze. Immers, sinds 17 augustus 2015 zullen nalatenschappen geheel beheerst worden door één nationaal erfrecht. In dit artikel willen wij eens de achterkant van de verordening belichten, namelijk: wie is bevoegd tot afwikkeling en hoe werkt dit in de praktijk? Hierbij willen we dan ook graag het nieuwe kindje van de Erfrechtverordening bespreken: de Europese erfrechtverklaring.

Hoe was het ook alweer?

Voor inwerkingtreding van de verordening moest een internationale casus steeds worden bekeken vanuit de IPR-regelgeving van het betreffende land waar het vermogen lag. Ieder land heeft namelijk zijn eigen wetgeving van internationaal privaatrecht. Aan de hand van deze wetgeving wordt bepaald welk recht op uw situatie van toepassing is.

Casus

Stel dat Hans en Ria (twee Nederlanders), woonachtig in Duitsland, een woning in bezit hebben in Duitsland, een bankrekening voeren bij een Nederlandse bank en een vakantiehuisje hebben in Zuid-Frankrijk. In een dergelijke casus hadden we drie verschillende nalatenschappen met verschillende regels, waarbij in elk land een aparte afwikkelingsprocedure gevolgd diende te worden. In ieder land diende men in deze casus een nationale verklaring van erfrecht te verkrijgen ter afwikkeling van de nalatenschap. Dit was voor de Europese Commissie een brug te ver.

Letterlijk lezen we in preambule 7 en 8 van de erfrechtverordening als volgt:

“(7) De goede werking van de interne markt moet worden vergemakkelijkt door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. In de Europese justitiële ruimte moeten burgersop voorhand hun erfopvolging kunnen organiseren. De rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap moeten daadwerkelijk worden gegarandeerd.

 (8) Om deze doelstellingen te bereiken, moeten in deze verordening bepalingen worden samengebracht inzake rechterlijke bevoegdheid, inzake toepasselijk recht, inzake erkenning — of, naar gelang van het geval, aanvaarding —, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen, en inzake het tot stand brengen van een Europese erfrechtverklaring.”

 De conclusie van de Europese Commissie was derhalve heel eenvoudig: de afwikkeling van internationale nalatenschappen was een te tijdrovende en te kostbare zaak voor de burgers van de Europese Unie. Vereenvoudiging en kostenbesparing waren zeer gewenst.

De Europese erfrechtverklaring Een snelle, soepele en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Europese Unie impliceert dat de erfgenamen, de legatarissen, de executeurs-testamentair en de beheerders van de nalatenschap eenvoudig hun rechtspositie en/of rechten en bevoegdheden moeten kunnen aantonen in een andere lidstaat, bijvoorbeeld een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden. Om dit te verwezenlijken, is bij deze verordening voorzien in de instelling van een eenvormige verklaring, de Europese erfrechtverklaring, die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt. Ten einde het subsidiariteitsbeginsel te eerbiedigen, mag de erfrechtverklaring niet in de plaats treden van interne documenten met gelijkaardige strekking in de lidstaten.

Een nieuw product is derhalve geboren. Echter, een nationale notaris mag in zijn eigen land nog steeds een nationale verklaring van erfrecht afgeven. Dit is één van de punten die in de praktijk enerzijds tot zorgen stemt en anderzijds soms praktisch kan zijn. Wij denken wel dat een autoriteit die belast is met het afwikkelen van de nalatenschap zich goed dient te realiseren wat de waarde van de Europese erfrechtverklaring is ten opzichte van een nationale verklaring van erfrecht in een internationale nalatenschap. Dit was ook uitdrukkelijk de bedoeling van de Europese Commissie.

De Europese erfrechtverklaring an sich is een bijzonder document. Op verzoek van lidstaten is er één uniform model dat in alle lidstaten hetzelfde dient te zijn. Het lijkt op een grote ‘invuloefening’. Voor veel juristen een bijzonder iets, daar zij gewend zijn aan het redigeren van akten. De achterliggende gedachte van deze ‘invuloefening’ is dat een Europese erfrechtverklaring in een vreemde taal naast het model in de eigen taal kan worden gelegd, hetgeen de afwikkeling – zo was de insteek – zou bespoedigen en tot kostenbesparing zou leiden. De praktijk is echter iets weerbarstiger daar nog steeds vertalingen worden geëist van de Europese erfrechtverklaring.

Het gebruik van de Europese erfrechtverklaring is echter niet verplicht. In preambule 69 wordt dit ook nader toegelicht. Wie een Europese erfrechtverklaring mag aanvragen, is hiertoe niet verplicht, maar kan er ook voor kiezen gebruik te maken van de andere instrumenten die hem op grond van de Erfrechtverordening ter beschikking staan (beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen). Een persoon of autoriteit die een in een andere lidstaat afgegeven Europese erfrechtverklaring overhandigd krijgt, kan echter niet vragen/eisen dat een nationale verklaring van erfrecht dient te worden overlegd.

Bijzonder in deze te melden is dat de autoriteit van afgifte de originele Europese erfrechtverklaring bewaart en slechts aan diegenen een gewaarmerkt afschrift verstrekt die een rechtmatig belang aantonen. Volledig nieuw voor de Nederlandse notaris is dat hij een lijst dient bij te houden met personen aan wie hij een gewaarmerkt afschrift heeft verstrekt. Daarnaast komt nog een tweede bijzonderheid, namelijk dat een verstrekt gewaarmerkt afschrift slechts een geldigheidsduur heeft van zes maanden. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan deze termijn worden verlengd. Na verloop van deze termijn kan een belanghebbende een nieuw afschrift aanvragen bij de autoriteit van afgifte.

Wie is bevoegd tot afgifte?

In preambule 70 lezen we het volgende:

“(70) De erfrechtverklaring dient te worden afgegeven in de lidstaat waarvan de gerechten op grond van deze verordening bevoegd zijn. Welke autoriteiten bevoegd zijn voor de afgifte van de erfrechtverklaring, hetzij gerechten in de zin van deze verordening, hetzij andere autoriteiten bevoegd in erfrechtzaken, bijvoorbeeld notarissen, moet door elke lidstaat in zijn nationale recht worden bepaald. Elke lidstaat moet tevens zelf bepalen of de autoriteit die de erfrechtverklaring afgeeft andere bevoegde instanties bij de afgifte kan betrekken, bijvoorbeeld instanties die bevoegd zijn om een verklaring op erewoord in plaats van een verklaring onder ede af te nemen. De lidstaten moeten de Commissie de nodige informatie verstrekken betreffende de instanties die de erfrechtverklaring afgeven, zodat deze informatie kan worden bekendgemaakt.”

De Nederlandse wetgever heeft in artikel 8 Uitvoeringswet Verordening Erfrecht de Nederlandse notaris aangewezen als autoriteit van afgifte. In Duitsland is de bevoegde autoriteit in deze het Amtsgericht. Er zijn dus landen waar een notaris bevoegd is tot afgifte, er zijn landen waar een rechter bevoegd is tot afgifte en er zijn enkele landen die een andere autoriteit deze bevoegdheid hebben toegekend.

Nu we geconstateerd hebben wie een bevoegde autoriteit kan zijn, moeten we vervolgens bezien wie daadwerkelijk tot het opstellen en afgeven bevoegd is op basis van de Erfrechtverordening.

Artikel 4 van de Erfrechtverordening geeft duidelijk aan dat deze bevoegdheid ligt bij het gerecht van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had. Er is in de literatuur enige discussie ontstaan over het woord ‘gerecht’. Er is geconcludeerd dat de Nederlandse notaris bevoegd is in het geval de erflater zijn gewone verblijfplaats in Nederland had ten tijde van zijn overlijden.

Terug naar onze casus:

Stel dat Hans geen testament heeft gemaakt met een rechtskeuze en wij constateren dat hij zijn laatste gewone verblijfplaats in Duitsland had. Alsdan is op grond van artikel 21 lid 1 Erfrechtverordening het Duitse erfrecht van toepassing op zijn nalatenschap en is de Duitse autoriteit bevoegd tot afgifte van de Europese erfrechtverklaring.

Stel nu dat onze Hans een testament had gemaakt waarin hij een rechtskeuze had gemaakt voor het Nederlandse erfrecht (zulks op basis van artikel 22 Erfrechtverordening). Zoals in ons vorige artikel besproken, zal de gehele nalatenschap (derhalve zowel de vererving alsmede de afwikkeling) verlopen volgens het Nederlandse recht. De bevoegde autoriteit tot afgifte – en derhalve degene die het Nederlandse recht dient toe te passen – is nog steeds de autoriteit van het land van de laatste gewone verblijfplaats van erflater, zijnde in casu Duitsland (artikel 4 Erfrechtverordening). Het Duitse Amtsgericht zal in onderhavig geval een Europese erfrechtverklaring dienen af te geven waarbij de inhoud wordt beheerst door het Nederlands erfrecht.

De uitzonderingen op artikel 4 Erfrechtverordening in het geval van een rechtskeuze

In bovenstaand voorbeeld hebben we het nog over een (voor ons) relatief gemakkelijk geval: Nederland versus Duitsland. Indien echter een man van Griekse nationaliteit overlijdt in Nederland en hij in Griekenland zijn laatste testament heeft gemaakt waarbij hij heeft gekozen voor het Griekse recht, wordt het ietwat problematischer wanneer een Nederlandse notaris Grieks recht moet gaan toepassen.

Vooruitkijkend op de problematiek die dit met zich kan meebrengen, heeft de Europese Commissie in de erfrechtverordening mogelijkheden geboden om af te wijken van de regel dat de autoriteit van de laatste gewone verblijfplaats van erflater bevoegd is om een Europese erfrechtverklaring op te stellen en af te geven.

De eerste mogelijkheid is opgenomen in artikel 5 van de Erfrechtverordening waarin is bepaald dat in het geval de erflater een rechtskeuze heeft gemaakt, betrokken partijen kunnen overeenkomen dat een gerecht of de gerechten van die lidstaat bij uitsluiting bevoegd zijn om uitspraak te doen over elke aangelegenheid die de erfopvolging betreft (de zogenaamde forumkeuzeovereenkomst). In de praktijk bestaat discussie wie betrokken partijen zijn. Een duidelijke definitie is niet voorhanden. Ons inziens is het antwoord duidelijk en betreft het de in artikel 63 lid 1 van de Erfrechtverordening genoemde personen, te weten: de erfgenamen, de rechtstreeks tot de nalatenschap gerechtigde legatarissen en de executeur-testamentair of de beheerders van de nalatenschap. Het in het buitenland vaker geuite standpunt dat een onterfd kind als betrokken partij wordt gezien, delen wij niet.

De andere mogelijkheden betreffen de route van artikel 6 en artikel 7 van de Erfrechtverordening, en hangen met elkaar samen. Het betreft in deze:

  1. de onbevoegdheidsverklaring in geval van een rechtskeuze;
  2. en b. bevoegdheid in geval van een rechtskeuze.

De onder a. genoemde mogelijkheid betreft de mogelijkheid dat één van de partijen een autoriteit kan verzoeken zich onbevoegd te verklaren indien het van oordeel is dat de gerechten van de lidstaat van het gekozen recht beter in staat zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging, rekening houdend met de praktische omstandigheden van de erfopvolging, zoals de gewone verblijfplaats van de partijen en de plaats waar de goederen zich bevinden.

In de praktijk is dit een vaak moeilijke route, daar een aangewezen autoriteit op basis van artikel 4 (zijnde de autoriteit van de laatste gewone verblijfplaats) zich onbevoegd dient te verklaren. Zeker in een land waar de bevoegde autoriteit daadwerkelijk een rechter is, die naar een nietrechter (een notaris) moet verwijzen, kan dit tot problemen leiden. Wel is dit voor cliënten de beste route, daar de autoriteit van de rechtskeuze vaak geen vertalingen van de opgemaakte testamenten behoeft (besparing van kosten) en deze autoriteit het betreffende erfrecht het beste kan doorgronden.

De onder b. genoemde mogelijkheid – en de meest eenvoudige van de mogelijkheden waarbij een autoriteit de bevoegde autoriteit van afgifte wordt op basis van een gemaakte rechtskeuze – is te vinden in artikel 7 van de Erfrechtverordening. Dit artikel vermeldt de mogelijkheid dat een autoriteit bevoegd is om een erfrechtverklaring af te geven indien álle partijen de bevoegdheid van de autoriteit van de rechtskeuze uitdrukkelijk hebben aanvaard. Derhalve dient deze aanvaarding door alle erfgenamen, de rechtstreeks tot de nalatenschap gerechtigde legatarissen en de executeur-testamentair of de beheerders van de nalatenschap te zijn gedaan. Een dergelijke uitdrukkelijke aanvaarding van de bevoegdheid kan bijvoorbeeld tegelijk worden gedaan met de verklaring van aanvaarding van de nalatenschap of met de aanvaarding van de executeursbenoeming.

Kortom de Europese Erfrechtverordening biedt genoeg mogelijkheid om de bevoegde autoriteit te laten aansluiten bij het recht waar naar de nalatenschap wordt afgewikkeld.

Conclusie

Wij constateren in de praktijk dat de Europese erfrechtverklaring een hele grote stap vooruit is om te komen tot een snellere en kostenbesparende afwikkeling. Daarnaast constateren wij dat de erfrechtverklaring nog bij veel notarissen, advocaten, banken en rechters – zowel in Nederland als in het buitenland – te onbekend is. Onbekend maakt vaak onbemind. Verdieping in deze erfrechtverklaring zou in veel dossiers de afwikkeling vereenvoudigen.

 

Auteurs: mr. Branko Reumkens en mr. Susan Drijer, beiden werkzaam bij Metis Notarissen